Voedselvergiftiging door ziektekiemen

>
>

Voedselvergiftiging

Voedselvergiftiging wordt meestal teweeggebracht door tyfus- en paratyfusverwekkers en botulismebacteriën, die hun giffen bij voorkeur uitscheiden in vlees, vis, schaaldieren, kaas, groenten en allerlei conservenblikken. Soms is de vergiftiging aan stafylokokken toe te schrijven. Hun toxines zijn beter bestand tegen de hitte dan de andere.

Door hevig braken en diarree verliest de patiënt aanzienlijke hoeveelheden water, eiwitten en zout, zodat zijn toestand snel uitermate kritiek wordt. De helper zorgt eerst voor beademing en hartmassage, poogt vervolgens het gif te verwijderen en brengt het slachtoffer onverwijld naar het ziekenhuis, waar het vochttekort kan worden aangevuld. Alle verdachte voedingswaren moeten vernietigd worden.

Infecties van het maagdarmkanaal worden door bacteriën, vooral salmonellae en shigellae, of door amoeben veroorzaakt. Salmonellae zijn staafvormige bacteriën, die zich met hun lange zwepen voortbewegen. Van de meer dan 1000 tot op heden bekende soorten zijn er slechts twee gevaarlijk voor de mens: de verwekkers van tyfus en paratyfus. Alle andere gebruiken bij voorkeur dieren (ook huisdieren) als gastheer. Talrijke dieren zijn overigens kiemdragers zonder zelf ziek te zijn.

Andere iets minder voorkomende daders van voedselvergiftiging in onze streek zijn Shigella-bacteriën, Vibrio cholerae, Entamoeba histolytica en virushepatitis. Deze boosdoeners kunnen aanleiding geven tot diarree, harde stoelgang, donkere stoelgang, etterige stoelgang, verstopping of windzucht en bij virushepatitis, gele ontlasting.

 

Salmonellae

Salmonellae blijven maanden in leven en kunnen melk, vlees, eieren, water, ijs en voedingsmiddelen besmetten. Rechtstreekse overdracht van dier op mens komt zelden voor. Het aantal samonellosen neemt in onze landen toe, mede door de import van voedingsmiddelen uit allerlei landen met minder uitgebreide hygiënische voorschriften. Ook door het toeristenverkeer naar vreemde landen worden talrijke onbekende salmonellae bij ons ingevoerd. Het aantal gevallen van tyfus en paratyfus neemt echter af. Om een bacteriële ontsteking van de maag (gastritis) of van de dunne darm (enteritis) teweeg te brengen zijn miljoenen salmonellae nodig. Hun toxines komen vrij wanneer het bestanddeel van de bacterie wordt opgelost. Deze vergiftigingsziekten, die overigens ook door andere bacteriën worden veroorzaakt, beginnen na een incubatietijd van enkele uren met braken, misselijkheid, koorts en hevige diarree, die dehydratieverschijnselen (uitdroging) met zich mee kan brengen. Er treden krampen in de benen op, vooral de kuiten. De bloeddruk daalt aanzienlijk. De diarree blijft 2 tot 3 dagen aanhouden. De temperatuur zakt gewoonlijk eerder.

Deze ernstige vorm komt echter vrij zelden voor. Zuigelingen en kleine kinderen moeten tegen dehydratie worden beschermd, zo nodig in het ziekenhuis. De patiënten hebben in het begin meestal afkeer van voedsel, zodat de noodzakelijke hongerpauze gemakkelijk kan worden ingesteld. Meestal is het infunderen van aanvullende vloeistoffen niet noodzakelijk. Gewoonlijk herstelt men snel.

 

Tyfus en Paratyfus

Tyfus en paratyfus worden door slechts enkele salmonellae veroorzaakt. De aandoening ontwikkelt zich langzaam, omdat de verwekkers zich eerst in het lichaam vermenigvuldigen. De salmonellae van tyfus (typhus abdominalis = buiktyfus) en van de tyfeuze vorm van paratyfus dringen via de circulatie (bloed en lymfe) alle organen van het lichaam binnen, terwijl de tweede vorm van paratyfus en gastro-enteritis door salmonellae alleen maar de maag en de darm aangrijpen en dus plaatselijk werken. De tyfusverwekkers komen met voedsel of drank in de darm, dringen door de darmwand in de lymfvaten, vermenigvuldigen zich in de lymfklieren van het darmscheil en keren via de bloedbaan weer naar de darm terug.

Na een incubatietijd van 1 tot 2 weken stijgt de koorts tijdens de eerste week trapsgewijs tot 40C. Bevangenheid, hoofdpijn, gebrek aan eetlust nemen toe. De salmonellae vermenigvuldigen zich in de lymfklieren van de dunne darm; er worden zwellingen en zweren gevormd, die in de tweede week barsten, zodat de bacteriën in de organen kunnen dringen. De verstopping van de eerste week wordt dan door een brijachtige stoelgang vervangen. De koorts blijft ‘s morgens en ‘s avonds op dezelfde hoogte (40° C). De pols is langzaam, de milt zwelt en het hersenvlies wordt reeds geprikkeld. Tussen de 9de en de 25ste dag treden lichtrode vlekjes ter grootte van een spelde-knop (roseola) over de romp en de ledematen op. In de derde week worden de resten van de zweren door de dunne darm afgestoten. Hierdoor ontstaat het gevaar voor bloedingen, doorbraak van de darmwand en buikvliesontsteking. Bijna altijd worden grote gasophopingen gevormd. De diarree blijft aanhouden, evenals de koorts. In dit stadium wordt gevreesd voor hart- en circulatiestoornissen trombose, ontstekingen van de longen, de galwegen en het hersenvlies.

Met ingang van de 4de week zakt de koorts, vermindert de diarree en ontzwelt de milt. De reconvalescentie duurt dan nog minstens een maand. Grote honger van de lichamelijk en geestelijk nog zeer labiele patiënt duidt op het begin van de genezing.

Door de moderne antibiotica is het sterftecijfer bij tyfus aanzienlijk gedaald en wordt de duur van de aandoening verkort. Een voorzichtige reconvalescentie onder medische controle is echter nodig om recidive te voorkomen. De isolatie van de patiënten mag worden opgeheven wanneer geen verwekkers meer in stoelgang en urine worden aangetroffen.

Wie tyfus heeft gehad is meestal, maar niet altijd, voor zijn hele leven immuun. Het actieve vaccin beschermt slechts een half jaar tegen tyfus en paratyfus, zodat aanbevolen wordt de gemakkelijker dragees (typhoral) in te nemen.

Paratyfus treedt in twee vormen op, waarvan de tyfeuze in de meeste gevallen milder verloopt dan de tweede vorm. De incubatietijd bedraagt 3 tot 9 dagen. De koorts is niet bijzonder hoog en verwikkelingen komen zelden voor. Zwelling van de milt en bronchitis behoren tot het ziektebeeld. De huiduitslag is uitgebreider en bedekt ook armen en benen. Het centrale zenuwstelsel wordt echter niet verstoord. De tweede vorm van paratyfus is vrijwel identiek met bacteriële gastro-enteritis: slechts de verwekkers verschillen. De behandeling is dezelfde als bij verwante infecties.

 

Clostridium botulinum

Gevaarlijker nog dan de toxines van de salmonellae zijn de gifstoffen van Clostridium botulinum, een bacterie die geen zuurstof voor zijn ontwikkeling nodig heeft en derhalve veel voorkomt in conservenblikken. Soms vormt de bacterie een gas in de rottende voedingsmiddelen, waardoor het blik een afwijkende vorm kan vertonen. Dit is echter niet altijd het geval: ogenschijnlijk normale blikken kunnen besmet zijn. Tussen het innemen van het gif (0,000001 gis voldoende om de mens te doden) en de eerste symptomen liggen hoogstens 12 tot 36 uur. De aandoening begint met lichte, algemene klachten, duizeligheid en gezichtsstoornissen (dubbelzien, scheelzien). Dan raken de traan- en speekselklieren uitgeput, gevolgd door spreek-, slik- en ademhalingsklachten en andere verlammingen tot het centrale zenuwstelsel wordt stilgelegd. Dit kwaadaardige verloop kan door tijdige behandeling worden afgeremd. Wanneer het geringste vermoeden bestaat, dat levensmiddelen niet helemaal in orde waren, moet onmiddellijk een arts worden geraadpleegd. In het vroege stadium moet braking worden opgewekt en wordt de maag uitgepompt. Behandeling met botulismeserum kan het vergiftigingsproces afremmen.

Aanbevolen wordt de inhoud van conservenblikken nooit rauw op te dienen (in slaatjes e. d.), maar 20 minuten op 100° C te verhitten om de toxines te vernietigen. Verdachte spijzen dienen te worden weggegooid.

 

Dysenterie

Dysenterie kan door bacteriën of door amoeben worden veroorzaakt. De onbeweeglijke Shigella-bacteriën tasten het slijmvlies van de dikke darm aan en vormen er oppervlakkige zweren van waaruit de toxines in het hele lichaam werken. De gifstoffen komen vrij wanneer de bacteriën worden opgelost. De verwekkers van de niet meer in Europa voorkomende bacillaire dysenterie scheiden hun toxines onmiddellijk af, zodat het lichaam geen tijd heeft om tegenmaatregelen te nemen. Twee soorten minder giftige Shigellae komen nog in onze landen voor en brengen ziekteverschijnselen teweeg, die op dysenterie lijken maar milder verlopen en vaak niet als shigellosen worden herkend.

Dysenterie begint na een incubatietijd van 2 tot 6 dagen met matige koorts, hoofdpijn, pijnlijke krampen, braken en kwalijk riekende diarree, die spoedig slijmerig wordt en bloed of etter kan bevatten. De bijzonder vaak terugkerende aandrang (soms tot 40 keer per dag) is lastig en pijnlijk. Door het aanzienlijke vochtverlies moet op het evenwicht van water- en elektrolytenhuishouding worden gelet; eventueel moeten infusies worden toegediend. De verwekker wordt bestreden met antibiotica. De arts beslist of en wanneer een stopmiddel mag worden toegediend. Bedrust en dieet zijn noodzakelijk: de eerste dag geraspte appel en thee zonder suiker, later ook soep, pap enz.

Dysenterie kan gemakkelijk chronisch worden. Niet zelden treden als gevolg van de ziekte reumatische klachten op. Om contactbesmetting te vermijden blijft de patiënt geïsoleerd tot de stoelgang vijf dagen achtereen geen bacteriën meer bevat.  Amoebendysenterie wordt veroorzaakt door Entamoeba histolytica, een amoebe die reizigers uit de tropen ongemerkt naar huis brengen, omdat de incubatietijd 1 tot 4 weken duurt en de infectie jarenlang symptoomloos kan blijven. De amoebe tast het slijmvlies van de dikke darm aan, waar ontstekingen en zweren ontstaan. Soms wordt ook de lever aangetast. De zichtbare symptomen zijn slijmerige stoelgang, gemengd met bloed, heftige en pijnlijke stoeldrang, lichte temperatuursverhoging, vermoeidheid. De stoelgang is taai, lijkt op frambozengelei en is niet troebel zoals de etterige stoelgang bij bacillaire dysenterie. De aandoening wordt succesvol met de moderne middelen behandeld. Wie gevoelig is voor darminfecties, kan vóór de teis preventieve middelen innemen om de verwekkers te bestrijden.

 

Cholera

Cholera wordt veroorzaakt door een kommavormige bacterie (Vibrio cholerae), die zich in water vermenigvuldigt en in grote aantallen in de darm ten onder gaat. Hierdoor komen toxines vrij, die zeer snel ernstige diarree teweegbrengen, met alle gevolgen van dien (dehydratie enz.). De verwekker heeft geen tussengastheer nodig, maar wordt overgebracht door rechtstreeks contact met verontreinigd water en voedsel (bijv. water van de Ganges in India). Cholera komt in Europa niet meer voor. Bij ondeskundige behandeling kan 30 tot 50% der patiënten overlijden. De patiënten moeten streng worden geïsoleerd (quarantaine). De vaccinatie is pas drie weken na de injectie werkzaam en beschermt zes maanden.

virushepatitis

Een nog niet bekend virus brengt virushepatitis (ook hepatitis infectiosa of hepatitis epidemica) teweeg, vooral in de nazomer, door contact onder meer met verontreinigd water en voedsel. Een verwante vorm is serumhepatitis, dat eveneens door een virus wordt veroorzaakt en overgebracht wordt door onvoldoende gesteriliseerde medische instrumenten (injectienaalden, vooral bij druggebruikers die spuiten, enz.) en infusievloeistoffen. In onze landen komt infectieuze geelzucht regelmatig voor, soms zelfs in de vorm van kleine epidemieën op scholen e. d. Omdat de ziekte niet onmiddellijk van een gewone geelzucht kan worden onderscheiden, moet onverwijld een arts worden geraadpleegd. Verwanten, vooral zwangere vrouwen en kinderen, kunnen zich gammaglobulines laten inspuiten, mits het contact niet te lang geleden is. Dit zijn eiwitbestanddelen van het bloed, waarin antilichamen tegen vijandige indringers worden gevormd. Gammaglobulines beschermen gewoonlijk 2 tot 3 maanden. Het nut van gammaglobulines na besmettend contact wordt omstreden.

Door het hepatitisvirus kunnen de levercellen de galkleurstof (bilirubine) niet meer vasthouden en via de galwegen naar de darm afvoeren. Dit overtollige bilirubine komt in de bloedbaan en van daaruit in de weefsels; vandaar de gele verkleuring van de ontlasting.

De gele kleur is het eerst aan het oogwit te zien. De urine wordt donker als bier, terwijl de stoelgang vrijwel kleurloos blijft. In het voorstadium, dat dagen tot weken kan duren, zijn de klachten niet karakteristiek: pijn in de gewrichten, de ledematen en het hoofd. Wanneer de ziekte uitbreekt volgen misselijkheid en braken, walging voor vet en gebraden vlees, koffie, alcohol en nicotine. De patiënten hebben het gevoel, dat een strakke riem om hun rechter bovenbuik is aangetrokken. Pas dan beginnen de weefsels geel te worden. De lever en de milt zwellen. De urinelozing vermindert. Verstopping en windzucht komen voor. Wanneer plotseling veel urine wordt geloosd, mag worden aangenomen, dat het hoogtepunt van de aandoening voorbij is. De koorts is matig en daalt, zodra de eigenlijke geelzucht (icterus) begint.

Tegen virushepatitis bestaan geen speciale middelen. Hoewel moderne inzichten twijfel hebben doen ontstaan aan het nut van bepaalde maatregelen, worden nog vaak strenge bedrust en een lichtverteerbaar en leversparend dieet voorgeschreven. In geen geval mag men zelf geneesmiddelen innemen, omdat de lever het al moeilijk genoeg heeft. Na een reconvalescentietijd van zes weken (de patiënt mag niet gaan werken, ook al voelt hij zich goed), moet men zich nog maanden ontzien en vooral geen alcohol, koffie of nicotine gebruiken. Bij ongeveer 10% van de patiënten komen verwikkelingen of niet-omkeerbare leverletsels voor. Soms ontstaat een chronische geelzucht.

>
>